
5.1 Inleiding
In dit hoofdstuk geeft het bestuur inzicht in de financiële positie, het pensioenvermogen en de voorzieningen van het pensioenfonds. Tevens is de actuariële analyse van het pensioenfonds opgenomen.
5.2 Financiële positie
5.2.1 Verloop dekkingsgraad
De rente is van grote invloed op de dekkingsgraden van het pensioenfonds. Omdat de deelnemers aan de pensioenregeling Pensioenfonds Kappers gemiddeld jong zijn, is de gemiddelde duur tot aan pensionering lang. De rentegevoeligheid van het pensioenfonds is hierdoor groot. Het pensioenfonds dekt deze rentegevoeligheid voor een deel af, met name door gebruik te maken van renteswaps.
Pensioenfondsen moeten voor het vaststellen van de waarde van de verplichtingen gebruik maken van de ultimate forward rate (hierna: UFR) als correctie op de marktrente. De actuele dekkingsgraad berekent het pensioenfonds door de waarde van beleggingen minus de kortlopende schulden te delen door de waarde van pensioenverplichtingen. De beleidsdekkingsgraad wordt berekend als een voortschrijdend gemiddelde van de actuele dekkingsgraden over 12 maanden.
De actuele dekkingsgraad steeg gedurende 2024 van 105,0% naar 108,1%.
De beleidsdekkingsgraad steeg gedurende 2024 van 106,3% naar 108,0%.
De dekkingsgraden in 2024 zijn grafisch weergegeven:
Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:
| Periode | Beleidsdekkingsgraad | Actuele dekkingsgraad (RTS) |
|---|---|---|
| 2023M12 | 106,3% | 105,0% |
| 2024M01 | 106,6% | 105,5% |
| 2024M02 | 106,8% | 107,0% |
| 2024M03 | 107,1% | 106,9% |
| 2024M04 | 107,5% | 108,4% |
| 2024M05 | 108,0% | 110,8% |
| 2024M06 | 108,5% | 110,9% |
| 2024M07 | 108,5% | 108,5% |
| 2024M08 | 108,7% | 109,2% |
| 2024M09 | 108,4% | 109,2% |
| 2024M10 | 108,1% | 106,8% |
| 2024M11 | 107,8% | 105,0% |
| 2024M12 | 108,0% | 108,1% |
| Attributies dekkingsgraad | ||
| Primo 2024 | 105,0% | |
| M1 Premie | 0,9% | |
| M2 Uitkeringen | 0,1% | |
| M3 Toeslagen | 0,0% | |
| M4 RTS | -4,7% | |
| M5 Overrendement | 6,4% | |
| M6 Overig | 0,4% | |
| Ultimo 2024 | 108,1% |
Het pensioenfonds rapporteert ook de reële dekkingsgraad. In de reële dekkingsgraad wordt rekening gehouden met de kosten van indexatie. Als de reële dekkingsgraad van het pensioenfonds hoger is dan 100%, dan mag volledig worden geïndexeerd op grond van de regels voor "toekomstbestendig indexeren". De reële dekkingsgraad van het pensioenfonds steeg in 2024 van 74,7% naar 77,2%.
5.2.2 Premie en premiedekkingsgraad
Door de stijging van de rente in 2024 steeg ook de premiedekkingsgraad (de verhouding tussen de feitelijke premie en de actuarieel benodigde koopsom) in 2024 van 126,0% naar 128,1%.
De feitelijke premie dient elk jaar minimaal gelijk te zijn aan de gedempte kostendekkende premie. De kostendekkende premie wordt gedempt op basis van verwacht rendement, waarbij het verwacht rendement op vastrentende waarden is vastgezet voor vijf jaar. In 2021 is een nieuwe 5-jaars periode begonnen (2021 tot en met 2025) en is het verwacht rendement op vastrentende waarden bepaald door de RTS van september 2020. In 2023 is gebruik gemaakt van het overgangsrecht 36b van het Besluit FTK waardoor het verwacht rendement op vastrentende waarden opnieuw voor 5 jaar vastgezet werd op de RTS van september 2023. De gedempte kostendekkende premie daalde in 2024 van 13,9% naar 11,2%. De feitelijke premie mocht bij gebruik van het overgangsrecht echter niet worden verlaagd ten opzichte van het voorgaande jaar en bleef in 2024 gehandhaafd op 13,9%.
Zuiver kostendekkende premie
De kostendekkende premie is gebaseerd op de door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur per 31 december van het vorige jaar en de op dat moment geldende uitgangspunten voor de bepaling van de technische voorzieningen. De zuivere kostendekkende premie bestaat uit de volgende onderdelen:
- Actuariële inkoop van onvoorwaardelijke onderdelen;
- Opslag voor premievrijstelling bij invaliditeit;
- Opslag voor uitvoeringskosten;
- Opslag voor solvabiliteit ter grootte van het vereist eigen vermogen.
| (bedragen x € 1.000) | 2024 | 2023 | ||
| Actuarieel benodigd | 37.682 | 29.967 | ||
| Opslag in stand houden vereist vermogen | 7.359 | 6.007 | ||
| Opslag voor uitvoeringskosten | 4.983 | 5.574 | ||
| In premie bedragen voor toekomstige kosten | 1.050 | 839 | ||
| Totaal | 51.074 | 42.387 |
Gedempte kostendekkende premie
De gedempte kostendekkende premie bestaat uit de volgende onderdelen:
- Actuariële inkoop van onvoorwaardelijke onderdelen;
- Opslag in verband met toekomstbestendige toeslagverlening;
- Opslag voor premievrijstelling bij invaliditeit;
- Opslag voor uitvoeringskosten.
| (bedragen x € 1.000) | 2024 | 2023 | ||
| Actuarieel benodigd | 14.774 | 19.017 | ||
| Premies bestemd voor voorwaardelijke toeslagverlening | 18.320 | 17.562 | ||
| Opslag in stand houden vereist vermogen | 2.884 | 3.808 | ||
| Opslag voor uitvoeringskosten | 4.983 | 5.574 | ||
| In premie bedragen voor toekomstige kosten | 406 | 511 | ||
| Totaal | 41.368 | 46.472 |
Feitelijke premie
Een pensioenfonds ontvangt van werkgevers en werknemers een premie, ook wel feitelijke premie (of doorsneepremie) genoemd. De feitelijke premie moet minimaal gelijk zijn aan de gedempte kostendekkende premie. Omdat de sociale partners niet tot overeenstemming kwamen over de premie 2024 heeft het bestuur de feitelijke premie vastgesteld op 13,9%.
| (bedragen x € 1.000) | 2024 | 2023 | ||
| Actuarieel benodigd | 14.774 | 19.017 | ||
| Premies bestemd voor voorwaardelijke toeslagverlening | 18.320 | 17.562 | ||
| Opslag in stand houden vereist vermogen | 2.884 | 3.808 | ||
| Opslag voor uitvoeringskosten | 4.983 | 5.574 | ||
| In premie bedragen voor toekomstige kosten | 406 | 511 | ||
| Subtotaal = gedempte kostendekkende premie | 41.368 | 46.472 | ||
| Marge in premie | 13.240 | -181 | ||
| Totaal | 54.608 | 46.291 |
De premie wordt volledig geïnd bij de werkgever, maar deze kan het werknemersdeel (50%) van de premie inhouden op het salaris van de werknemer.
5.2.3 Premie en verhogen en verlagen pensioenen
Doordat de beleidsdekkingsgraad onder de ondergrens van 110% is gebleven, heeft het pensioenfonds de pensioenaanspraken en de ingegane pensioenen per 1 oktober 2024 niet kunnen verhogen. Het pensioenfonds heeft daarentegen voorkomen dat de pensioenen werden verlaagd per 1 januari 2024 en per 1 januari 2025.
5.2.4 Overbruggingsplan
Pensioenfondsen kunnen ervoor kiezen om tijdens de transitieperiode naar de Wtp gebruik te maken van het zogenoemde transitie-FTK. Hierdoor kan het pensioenfonds in de transitieperiode reeds voorsorteren op de nieuwe regels die van kracht gaan worden. In juni 2023 besloot het bestuur gebruik te maken van het transitie-FTK met als belangrijkste reden om een verlaging van de pensioenen te voorkomen. In 2024 heeft het bestuur wederom besloten te opteren voor de regels van het transitie-FTK. Het bestuur had daarbij twee overwegingen. Als eerste achtte het bestuur voortgezette deelname aan het transitie-FTK consistentie in beleid. Daarnaast gelden onder het transitie-FTK andere, meer soepele regels, om eventueel toeslagen te verlenen. Hiervoor is een wijziging op het toeslagbeleid echter nodig. Het bestuur is zich zeer bewust van het feit dat de pensioenen sinds lang niet meer zijn verhoogd en ziet dat het toepassen van de regels voor toeslagverlening onder het transitie-FTK eerder kunnen leiden tot een verhoging van deze pensioenen.
Het bestuur heeft in 2024 een overbruggingsplan bij DNB ingediend. DNB heeft over het ingediende overbruggingsplan vragen gesteld naar aanleiding van het in het plan geuite voornemen het toeslagbeleid in het najaar mogelijk aan te passen aan de regels van het transitie-FTK. DNB achtte het ingediende overbruggingsplan niet concreet en haalbaar indien het bestuur in het najaar van 2024 een besluit tot wijziging van het toeslagbeleid zou nemen. Het bestuur heeft naar aanleiding hiervan aan DNB meegedeeld dat het in 2024 geen wijziging in het toeslagbeleid zou doorvoeren. DNB stemde vervolgens in met het overbruggingsplan.
Het verantwoordingsorgaan adviseerde positief over het overbruggingsplan.
5.2.5 Haalbaarheidstoets
In april 2024 is de jaarlijkse haalbaarheidstoets uitgevoerd. Met deze toets wordt gemonitord hoe het verwachte pensioenresultaat zich verhoudt tot de normen die zijn vastgesteld (zie paragraaf 4.3.5). Uit de haalbaarheidstoets 2024 is gebleken dat:
- Het verwacht pensioenresultaat op fondsniveau startend vanuit de feitelijke dekkingsgraad bedraagt 69,0%. Dit ligt lager dan de vastgestelde ondergrens van minimaal 74,5%.
- De afwijking van het pensioenresultaat op fondsniveau bedraagt in het slechtweerscenario 39,3% en is kleiner dan de maximaal toegestane afwijking van 40%. De door het pensioenfonds gestelde norm ligt binnen de grens van de nominale norm.
Het mindere verwacht pensioenresultaat is met name het gevolg van de nieuwe scenarioset van DNB waarin lagere rendementen voor de beleggingen zijn opgenomen. Het bestuur heeft zich afgevraagd of dit resultaat tot een aanpassing van de risicohouding zou moeten leiden. Gezien de lopende transitie naar de nieuwe Wtp-regeling achtte het bestuur het niet zinvol om de risicohouding voor de resterende periode aan te passen. Het bestuur heeft dit inzicht met de sociale partners gedeeld. De sociale partners onderschreven het bestuurlijke ingenomen standpunt.
Het bestuur heeft de uitkomsten van de haalbaarheidstoets met het verantwoordingsorgaan gedeeld.
5.2.6 Waardeoverdrachten en kleine pensioenen
Als een werknemer van baan verandert, mag hij zijn pensioen overdragen naar zijn nieuwe pensioenfonds. Dit heet waardeoverdracht. Als de beleidsdekkingsgraad van een pensioenfonds dat bij waardeoverdracht is betrokken lager is dan 100%, dan mag het pensioenfonds zowel een inkomende als uitgaande waardeoverdracht niet uitvoeren. De waardeoverdracht moet dan worden opgeschort. De beleidsdekkingsgraad van het pensioenfonds is per 31 augustus 2022 boven de 100% gekomen en sindsdien is het proces waardeoverdrachten herstart.
Als gevolg van de Wet waardeoverdracht kleine pensioenen, kan het pensioenfonds de kleine pensioenaanspraken, tussen € 2 en de wettelijke afkoopgrens automatisch overdragen naar de nieuwe pensioenuitvoerder van de deelnemer. Het pensioenfonds is per september 2022 met dit proces gestart. In 2024 heeft het pensioenfonds ruim 1.400 kleine pensioenaanspraken automatisch overgedragen met een totale waarde van € 1,3 miljoen.
5.3 Pensioenvermogen en voorzieningen
In onderstaand overzicht wordt het verloop van het pensioenvermogen en het verloop van de technische voorziening weergegeven. Onder beleggingsresultaten is bij het verloop pensioenvermogen het behaalde rendement op beleggingen verantwoord. De regel beleggingsresultaten bij verloop in technische voorzieningen betreft de interest onttrekking over de technische voorziening op basis van de (negatieve) 1-jaars rente zoals vastgesteld door DNB in de RTS van 31 december 2024.
Samenvatting van de financiële positie van het pensioenfonds en ontwikkelingen gedurende het jaar.
| (bedragen x € 1.000) | Vermogen | Technische voorzieningen | Dekkingsgraad | |||
| Stand per 1 januari 2024 | 1.009.893 | 961.800 | 105,0% | |||
| Beleggingsresultaten | 98.841 | 33.884 | ||||
| Premiebijdragen | 48.064 | 37.631 | ||||
| Uitkeringen | 968 | -7.896 | ||||
| Wijziging Rentetermijnstructuur (RTS) | 0 | 44.618 | ||||
| Overige | -9.575 | -7.750 | ||||
| Stand per 31 december 2024 | 1.148.191 | 1.062.287 | 108,1% |
Het saldo van baten en lasten over de afgelopen jaren kan als volgt worden geanalyseerd:
| (bedragen x € 1.000) | 2024 | 2023 | 2022 | 2021 | 2020 | |||||
| Premieresultaat | 10.433 | 10.008 | -10.651 | -12.097 | -13.492 | |||||
| Interestresultaat | 20.339 | 11.828 | 98.192 | 67.551 | -31.184 | |||||
| Wijziging actuariële grondslagen | 5.910 | -1.757 | -40.687 | 0 | 37.422 | |||||
| Overige resultaat | 1.129 | -96 | -7.719 | -14.128 | -1.520 | |||||
| Stand per 31 december | 37.811 | 19.983 | 39.135 | 41.326 | -8.774 |
De dekkingsgraad ultimo jaar (op basis van de jaarrekening) heeft zich de afgelopen jaren als volgt ontwikkeld:
| 2024 | 2023 | 2022 | 2021 | 2020 | ||||||
| Actuele dekkingsgraad ultimo | 108,1% | 105,0% | 103,1% | 99,2% | 96,2% | |||||
| Beleidsdekkingsgraad ultimo | 108,0% | 106,3% | 102,2% | 97,3% | 91,6% | |||||
| Gemiddelde interest van verplichtingen | 1,95% | 2,15% | 2,23% | 0,67% | 0,43% |
De ultimo 2024 bepaalde voorziening wordt berekend door het actuarieel contant maken van de verworven pensioenaanspraken tegen de per ultimo 2024 door DNB gepubliceerde rentetermijnstructuur (RTS). Voor looptijden tot 30 jaar is deze RTS een marktrente, maar voor langere looptijden wordt gecorrigeerd met een UFR zoals eerder toegelicht. De rekenrente die leidt tot eenzelfde contante waarde van de pensioenaanspraken (de gemiddelde interest van de verplichtingen) is gelijk aan 1,95% (2023: 2,15%).
De actuele dekkingsgraad wordt berekend als de som van de technische voorzieningen, het stichtingskapitaal en de reserves, te delen door de technische voorzieningen. De beleidsdekkingsgraad is het voortschrijdend gemiddelde van de laatste 12 actuele dekkingsgraden. Op basis van het reguliere FTK bevindt het pensioenfonds zich ultimo 2024 in een situatie van reservetekort aangezien de beleidsdekkingsgraad lager is dan de vereiste dekkingsgraad. Het pensioenfonds voldoet ultimo 2024 wel aan het minimaal vereist vermogen. Zoals in paragraaf 5.2.4 is vermeld zijn op het pensioenfonds op de balansdatum de regels van het transitie-FTK van toepassing.
5.4 Actuariële analyse
| (bedragen x € 1.000) | 2024 | 2023 | ||||||
| Resultaat op premie | ||||||||
| Ontvangen doorsneepremie | 55.006 | 40.634 | ||||||
| Pensioenopbouw en risicopremies | -37.631 | -30.042 | ||||||
| In premie begrepen opslag voor dekking directe kosten | -5.893 | 104 | ||||||
| In premie begrepen opslag voor dekking toekomstige kosten | -1.049 | -683 | ||||||
| 10.433 | 10.013 | |||||||
| Resultaat op interest | ||||||||
| Directe en indirecte beleggingsresultaten | 98.841 | 52.573 | ||||||
| Wijziging rentetermijnstructuur | -33.884 | -29.948 | ||||||
| Rentewijziging voorziening pensioenverplichting | -44.618 | -10.797 | ||||||
| 20.339 | 11.828 | |||||||
| Resultaat op kosten | ||||||||
| Vrijval kostenopslag uit voorziening pensioenverplichtingen | 237 | -450 | ||||||
| Pensioenuitvoerings- en administratiekosten | -5.220 | -5.703 | ||||||
| In premie begrepen opslag voor dekking directe kosten | 5.893 | 5.574 | ||||||
| 910 | -579 | |||||||
| Overige resultaten | ||||||||
| Resultaat op waardeoverdrachten | 1.090 | 1.203 | ||||||
| Resultaat op uitkeringen | 156 | -235 | ||||||
| Resultaat op VPL | 0 | 0 | ||||||
| Indexering en overige toeslagen | 0 | 0 | ||||||
| Wijziging actuariele grondslagen | 5.910 | -1.759 | ||||||
| Overige | -1.027 | -488 | ||||||
| 6.129 | -1.279 | |||||||
| Totaal | 37.811 | 19.983 |
Uitkomsten van de solvabiliteitstoets
De solvabiliteit van het pensioenfonds is niet toereikend. Er is sprake van een reservetekort. Voor de berekening van het vereist eigen vermogen maakt het pensioenfonds gebruik van het standaardmodel van DNB.
Oordeel van de waarmerkend actuaris over de vermogenspositie
De waarmerkend actuaris oordeelt dat het eigen vermogen van het pensioenfonds op de balansdatum lager dan het wettelijk vereist eigen vermogen, maar hoger dan het wettelijk minimaal vereist eigen vermogen en dat met inachtneming van het voorgaande is voldaan aan de artikelen 126 tot en met 140 van de Pensioenwet, met uitzondering van artikel 132 (vereist eigen vermogen). Hierbij is in aanmerking genomen dat het pensioenfonds gebruik maakt van het transitie-FTK zoals bedoeld in artikel 150p van de Pensioenwet, waardoor niet alle artikelen van toepassing zijn. Het pensioenfonds heeft onderbouwd te hebben voldaan aan de in dat artikel gestelde voorwaarden voor het gebruik van het transitie-FTK.
De beleidsdekkingsgraad van het pensioenfonds op balansdatum is lager dan de dekkingsgraad bij het vereist eigen vermogen, doch hoger dan de dekkingsgraad bij het minimaal vereist eigen vermogen.
Het uitgebreide oordeel van de waarmerkend actuaris is opgenomen onder de Overige Gegevens (hoofdstuk 14).
5.5 Kosten uitvoering pensioenbeheer
Het bestuur maakt voor de uitvoering van de regeling diverse kosten. Globaal kunnen deze kosten worden onderverdeeld in kosten voor de uitvoering van de pensioenregeling, de kosten voor de projecten en kosten van het vermogensbeheer. Het fondsbestuur vindt het belangrijk open te zijn over deze kosten. In dit verslag is in dit kader een rapportage over de kosten voor de uitvoering van de pensioenregeling opgenomen. De kosten worden gepresenteerd met inachtneming van de aanbevelingen van de Pensioenfederatie en de AFM. Hierdoor kunnen de kosten die pensioenfondsen maken met elkaar worden vergeleken.
De kosten van pensioenbeheer bedragen voor 2024 € 5,2 miljoen (2023 € 5,7 miljoen). Omgerekend is dit € 210 (2023: € 256) per (actieve) deelnemer en gepensioneerde. Dit bedrag van € 210 is de resultante van de kosten van pensioenbeheer gedeeld door de som van het aantal actieve deelnemers (19.532), arbeidsongeschikte premievrije deelnemers (912) en pensioengerechtigden (4.433) eind 2024. De afname van de kosten per deelnemer is het gevolg van de toename van het aantal deelnemers doordat per 1 januari 2024 ook de kappers en kapsters van 18, 19 en 20 jaar verplicht zijn gaan deelnemen aan de pensioenregeling. Daarnaast zijn in 2024 meer fondskosten toegerekend aan de kosten voor vermogensbeheer (€ 711 duizend, in 2023 bedroeg de toerekening € 96 duizend). Als de wijze van toerekening niet was gewijzigd, dan waren de kosten per deelnemer € 234.
De Pensioenfederatie doet de aanbeveling de pensioenbeheerkosten ook in een percentage van het gemiddeld belegd vermogen uit te drukken. Dit percentage bedraagt voor 2024: 0,49% (2023: 0,59%). De daling is het gevolg van de hogere waarde van het belegd vermogen en de lagere kosten voor pensioenbeheer als gevolg van de hogere toerekening van de fondskosten naar kosten voor het vermogensbeheer.
Uit het door onderzoeksbureau Bell verrichte onderzoek naar de pensioenbeheerkosten bleek dat de gemiddelde pensioenbeheerkosten bij Pensioenfonds Kappers over 2021 - 2023 € 229 bedroegen tegen € 205 in de peergroup Hiermee zijn de kosten per deelnemer hoger dan de kosten van de peergroep. Uit een nadere analyse van dit verschil is gebleken dat het pensioenfonds onder meer relatief weinig pensioenbeheerkosten doorbelast naar de kosten van vermogensbeheer. Met de wijziging van toedeling beoogd het bestuur dat de kosten beter vergelijkbaar zijn.
Een nieuwe ratio om de kosten van pensioenfondsen inzichtelijk te maken is de 'totale kostenratio". De totale kostenratio bestaat uit de pensioenbeheerkosten en de vermogensbeheerkosten (excl. transactiekosten) als percentage van het gemiddeld belegd vermogen. De totale kostenratio over 2024 bedroeg 0,82% (2023: 0,89%), exclusief projectkosten bedraagt de totale kostenratio 0,71% (2023: 0,78%).
Het bestuur kijkt met zorg naar de kostenstijging. De sterke, absolute toename van de kosten van de pensioenbeheer zijn een grote zorg voor het bestuur. Het wordt ook steeds duidelijker dat van een daling van de kosten na de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel geen sprake zal zijn. De huidige kosten zouden in vergelijking met andere pensioenfondsen aanmerkelijk lager moeten zijn omdat de pensioenregeling eenvoudig is. De opgebouwde pensioenen zijn relatief laag, waardoor hoge kosten onevenredig zwaar wegen. Hier tegenover staat dat de kappersbranche veel (kleine) werkgevers kent wat in de pensioenuitvoering veel kosten met zich meebrengt. Bovendien heeft het pensioenfonds op dit moment extra kosten als gevolg van het gespreid betalen van de overeengekomen vergoeding voor de overgang van de administratie naar TKP en uiteraard de kosten voor de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Daarnaast zorgt de steeds verdergaande regeldruk voor een onevenredige toename van de uitvoeringskosten van kleine(re) pensioenfondsen. De in 2024 doorgevoerde toedeling van een groter deel van de pensioenbeheerkosten naar de kosten vermogensbeheer zorgen voor minder in de premie door te rekenen uitvoeringskosten. Echter, feit blijft dat de kosten blijven stijgen en dit legt druk op de houdbaarheid van de pensioenregeling. Dit is voor het bestuur aanleiding geweest om in 2025 een onderzoek te starten naar de mogelijkheden tot consolidatie.
| (bedragen x € 1.000) | 2024 | 2023 | ||
| Bestuur, adviezen en controle | ||||
| Accountantscontrole | 78 | 75 | ||
| Controle en advieskosten actuaris | 275 | 300 | ||
| Kosten adviseurs | 184 | 247 | ||
| Contributie en bijdragen | 157 | 181 | ||
| Bestuurskosten | 349 | 320 | ||
| Overige | 156 | 149 | ||
| Totaal | 1.199 | 1.272 | ||
| Administratie | ||||
| Administratiekostenvergoeding | 2.875 | 2.855 | ||
| Kosten bestuursondersteuning | 668 | 605 | ||
| Totaal | 3.543 | 3.460 | ||
| Aan vermogensbeheer toegerekende pensioenuitvoeringskosten | -711 | -90 | ||
| Projectkosten | 1.189 | 1.061 | ||
| Totaal pensioenbeheerkosten | 5.220 | 5.703 | ||
| Pensioenbeheerkosten in euro per deelnemer inclusief transitiekosten | 209,83 | 255,82 | ||
| Pensioenbeheerkosten in euro per deelnemer exclusief transitiekosten | 162,04 | 208,23 | ||
| Pensioenbeheerkosten als % van het gemiddeld belegd vermogen | 0,49% | 0,59% |
Toelichting kosten uitvoering pensioenbeheer
Bestuur, advies en controle
Deze kosten hebben betrekking op de beloningen van alle fondsorganen, de kosten van de adviseurs en de kosten van de accountant en certificerend actuaris. De afname van deze kosten is met name een gevolg van het feit dat het pensioenfonds in 2023 te maken had met hoge juridische kosten.
Administratie
Deze kosten hebben betrekking op alle werkzaamheden die de administrateur van het fonds verricht voor werknemers en werkgevers.
Voor werknemers gaat het bijvoorbeeld om de administratie van pensioenaanspraken, de uitkeringen van de pensioengerechtigden en het informeren van deelnemers en gerechtigden. Te denken valt hierbij aan het afkopen van kleine pensioenen, het toekennen van pensioenen en de communicatie met alle doelgroepen (klant contact center, website, nieuwsbrieven, Uniform Pensioenoverzicht, start- en stopbrief, enzovoorts).
Voor werkgevers hebben deze kosten betrekking op alle activiteiten die voortvloeien uit het beheer van het bestand van aangesloten werkgevers, de aanlevering en verwerking van de werknemersgegevens, het opleggen en innen van de pensioenpremies en het onderhouden van de contacten met die werkgevers.
Ook de kosten van het opstellen van het jaarverslag, het samenstellen van financiële rapportages en het uitvoeren van de communicatieactiviteiten vallen hieronder.
De kosten bestuursondersteuning hebben betrekking op de ondersteuning van bestuur, raad van toezicht en verantwoordingsorgaan.
De projectkosten worden in paragraaf 5.6 toegelicht.
Kosten vermogensbeheer
Het bestuur is zich ervan bewust dat in de kosten voor uitvoering van het pensioenbeheer ook kosten zitten die toegerekend moeten worden aan het vermogensbeheer. Mede naar aanleiding van de kostenbenchmarkrapportage heeft het bestuur zich gebogen over de toerekening van een deel van de kosten van pensioenbeheer aan vermogensbeheer. Het bestuur heeft in 2025 besloten dat de zogenoemde fondskosten vanaf kalenderjaar 2024 voortaan voor 50% toegerekend kunnen worden aan vermogensbeheer. Dit omdat het de vergelijkbaarheid met andere fondsen verbetert in de wetenschap dat elke methode van toerekening arbitrair is.
Onder de fondskosten zijn de volgende kosten jaarlijkse begrepen: beloning bestuur en raad van toezicht, kosten accountant, actuaris, bestuursondersteuning, DNB, AFM, Pensioenfederatie en sleutelfunctiehouders. Daarnaast kunnen kosten die zich meer op ad hoc basis voordoen voor 50% worden doorbelast, zoals kosten ALM-studie en risicopreferentie onderzoek.
In 2024 was dit een bedrag van € 711 duizend (2023: € 90 duizend; indien de nieuwe methodiek voor toewijzing van fondskosten aan kosten vermogensbeheer in 2023 was toegepast dan was een bedrag van € 682 duizend toegerekend).
Aansluiting met de pensioenuitvoeringskosten in de jaarrekening
De kosten van de pensioenuitvoering komen overeen met de kosten zoals opgenomen in de jaarrekening.
5.6 Projectkosten
Naast de reguliere kosten voor het pensioenbeheer en vermogensbeheer maakt het pensioenfonds ook eenmalige kosten voor projecten. In 2024 is aan de projecten € 1.189 besteed (2023: € 1.036).
| (bedragen x € 1.000) | Bedrag incl. BTW | |
| Transitievergoeding | 180 | |
| Wet toekomst pensioenen | 746 | |
| Implementatie DORA | 131 | |
| Implementatie WDO | 109 | |
| Juridische kosten | 23 | |
| Totaal | 1.189 |
Transitievergoeding
In juni 2020 besloot het bestuur om de pensioenuitvoering over te brengen van AGH naar TKP Pensioen. Er zijn door TKP kosten gemaakt voor de implementatie van de pensioenuitvoering die in vijf jaarlijkse termijnen worden betaald. In 2025 is hiervoor de laatste termijn verschuldigd.
Implementatie DORA en WDO
Dit betreffen door TKP eenmalig in rekening gebrachte kosten voor de implementatie van DORA en de Wet Digitale Overheid.
Wet toekomst pensioen (Wtp)
In september 2022 startte het bestuur samen met de sociale partners de projectgroep Wtp. In 2024 is de projectgroep wtp omgevormd tot een stuurgroep. Deze stuurgroep had tot taak om ten behoeve van de sociale partners een transitieplan op te stellen. Door de stuurgroep Wtp worden kosten gemaakt voor het rekenwerk, een projectleider en (vanaf 2024) een onafhankelijk voorzitter. De sociale partners hebben circa € 196 duizend bijgedragen aan de gemaakte kosten. Daarnaast is in 2024 een bestuurlijke projectgroep Wtp gevormd. Deze projectgroep heeft tot taak de verdere voorbereiding van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel voor te bereiden. Adviesbureau Montae voert de regie in deze projectgroep.
5.7 Kosten uitvoering vermogensbeheer
Het pensioenfonds heeft een passief beleggingsbeleid waarmee het bestuur mede beoogt het aantal transacties te beperken en de kosten laag te houden.
De totale kosten voor vermogensbeheer in 2024 zijn uitgekomen op € 4.106 duizend (2023 € 3.346 duizend). De kosten worden afgezet tegen het gemiddeld belegd vermogen van 2024 van € 1.066 miljoen (2023: € 962 miljoen).
| (bedragen x € 1.000) | Bedrag incl. BTW | % van het belegd vermogen |
| Vermogensbeheerkosten | 3.559 | 0,33% |
| Transactiekosten | 547 | 0,05% |
| Totale vermogensbeheerkosten | 4.106 | 0,39% |
De kosten kunnen voor de verschillende vermogensbeheercategorieën worden onderverdeeld naar de volgende componenten:
| (bedragen x € 1.000) | ||||||||||||
| Kostencomponent | Algemeen* | Vastgoed | Aandelen | Vastrentende waarden | Derivaten** | Subtotalen | ||||||
| Beheerkosten | 666 | 674 | 313 | 458 | 450 | 2.561 | ||||||
| Prestatievergoedingen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||||||
| Bewaarloon | 31 | 0 | 0 | 0 | 0 | 31 | ||||||
| Belastingen | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 | ||||||
| Overige kosten | 967 | 0 | 0 | 0 | 0 | 967 | ||||||
| Transactiekosten | 0 | 107 | 153 | 256 | 31 | 547 | ||||||
| Subtotalen | 1.664 | 781 | 466 | 714 | 481 | |||||||
| Totale kosten vermogensbeheer | 4.106 |
Toelichting kosten uitvoering vermogensbeheer
- De totale vermogensbeheerkosten bestaan uit de vermogensbeheerkosten en de transactiekosten. De vermogensbeheerkosten zijn ten opzichte van 2023 gestegen en bedragen € 3.559 duizend (2023: € 2.833 duizend). De toename is het gevolg van de gewijzigde methodiek van toewijzing van kosten pensioenbeheer aan vermogensbeheer, waardoor de kosten vermogensbeheer alleen als gevolg van de wijziging van deze methodiek met € 621 duizend zijn toegenomen. De relatieve kosten (kosten afgezet tegen het belegd vermogen) stijgen van 0,29% in 2023 naar 0,33% in 2024.
- De beheerkosten van beleggingen zijn opgebouwd uit vermogensbeheervergoedingen en de vergoeding aan de fiduciair beheerder. De fondsen en de kosten zijn onderwerp van scherpe monitoring. Het pensioenfonds belegt passief en gebruikt generieke benchmarks, die goed aansluiten bij de beleggingscategorie. Hier worden geen additionele kosten voor gemaakt.
- Prestatieafhankelijke vergoedingen zijn vergoedingen die de vermogensbeheerders extra ontvangen wanneer vooraf gestelde prestatie maatstaven worden gerealiseerd. Over 2024 is door het pensioenfonds, net als in eerdere jaren, geen prestatieafhankelijke vergoeding betaald.
- Overige kosten: dit betreft onder meer kosten die binnen de beleggingsfondsen gemaakt worden voor specifieke rapportages op het gebied van ESG-risico’s, de accountant, governancekosten, de bijdrage toezichthouder en dergelijke. Deze kosten worden door het beleggingsfonds inzichtelijk gemaakt en de kosten worden aan het beleggingsfonds onttrokken en toegerekend aan het pensioenfonds middels een evenredig verdeling over de participanten. Daarnaast zijn diverse kosten van de custodian hieronder verantwoord.
- De transactiekosten zijn berekend op basis van de kosten van in- en uittreding in de beleggingsfondsen en op basis van een inschatting van de transacties binnen de fondsen. Over 2024 bedroegen de totale transactiekosten € 547 duizend (2023: € 513 duizend). Uitgedrukt als percentage van het gemiddeld belegd vermogen in 2024 bedragen de transactiekosten 0,05% (2023 0,05%).
- In de jaarrekening 2024 is de wijze waarop een deel van de pensioenuitvoeringskosten aan de vermogensbeheerkosten is toegerekend, gewijzigd. Deze is meer in lijn gebracht met de activiteiten die besteed worden aan het vermogensbeheer, waardoor in 2024 een bedrag van € 711 duizend (2023: € 90 duizend) van de pensioenuitvoeringskosten is toegerekend aan de kosten van het vermogensbeheer. Dit deel van de kosten is verantwoord onder de overige kosten van het vermogensbeheer.
Oordeel vermogensbeheerkosten
Landelijk lag het driejaarsgemiddelde over de periode 2021-2023 voor de benchmark van de kosten van het vermogensbeheer op 0,33% in de peergroup, terwijl deze kosten voor het pensioenfonds over die periode gemiddeld 0,25% bedroegen (bron: Bell kostenbenchmark 2023). De peergroup bestaat uit 100 Nederlandse pensioenfondsen, die een belegd vermogen hebben tussen de € 500 en € 1.500 miljoen. De peergroup maakt geen onderscheid tussen actief of passief beleggende fondsen.
De grootste component van de kosten zijn de beheerkosten. Het pensioenfonds belegt voor aandelen en vastrentende waarden in fondsen, die passief beleggen tegen lage kosten. Het pensioenfonds participeert voor vastgoed en hypotheken eveneens in fondsen, die uitsluitend beleggen in Nederland. De kosten van deze fondsen zijn relatief veel hoger dan aandelen en vastrentende waarden, maar deze fondsen zorgen wel voor diversiteit binnen de portefeuille. Het pensioenfonds monitort alle de managers op kwartaalbasis middels een scorecard op verschillende onderdelen. Een onderdeel is de hoogte van de fee. De fondsen waarin belegd wordt scoren ten opzichte van vergelijkbare alternatieven zeer gunstig. Een ander onderdeel van de beoordeling is de lange en korte termijn performance. De fondsen scoren redelijk tot goed op performance. Drie vastgoedfondsen waarin het pensioenfonds participeert hebben een hold status, de overige fondsen staan op buy, wat wil zeggen dat ze beoordeeld worden als goede beleggingen.
Naast de beheerkosten maakt het pensioenfonds kosten voor fiduciair management bij CTI en het beheer van de LDI-portefeuille door CTI. Voor deze specifieke werkzaamheden worden prijsafspraken gemaakt voor een langere periode. Het bestuur toetst bij het opnieuw vastleggen van de prijs de markt. De prijs is voor het laatst in 2022 overeengekomen.
Het bestuur is van mening dat gelet op de beleggingsmix, de fee van de beleggingsfondsen, en de additionele kosten voor beheer de kosten van 0,32% nog steeds passend zijn. Dit ondanks de sterke toename als gevolg van de gewijzigde methodiek van toerekening van de fondskosten aan vermogensbeheerkosten. Het bestuur heeft zich ten doel gesteld de kosten in vergelijking met andere pensioenfondsen laag te laten zijn omdat de beleggingsportefeuille passief en relatief eenvoudig is. Dit bespaart monitorings- en governancekosten. Het bestuur heeft dit doel omdat de opgebouwde pensioenen relatief laag zijn, waardoor hoge kosten onevenredig zwaar wegen.
Aansluiting met de jaarrekening
De Aanbevelingen uitvoeringskosten van de Pensioenfederatie nemen naast de directe kosten ook de indirecte kosten mee en maken expliciet onderscheid tussen de vermogensbeheerkosten en transactiekosten. In de jaarrekening zijn alleen de kosten die direct bij het fonds ad € 1.299 duizend in rekening zijn gebracht opgenomen (2023: € 513 duizend). De pensioenbeheerkosten die zijn toegerekend aan het vermogensbeheer vallen hier onder. De beheerkosten en transactiekosten worden onttrokken aan de fondswaarde van het betreffende fonds waar in wordt geparticipeerd en zijn in de jaarrekening onderdeel van het beleggingsrendement.
5.8 Kosten beloning fondsorganen
Het beloningsbeleid van het fonds bestaat sinds 1 januari 2020 uit een vaste jaarlijkse vergoeding. Deze vaste vergoedingen worden jaarlijks verhoogd conform de loonstijging in de kappersbranche (CAO Kappersbedrijf). Bovenop de vaste vergoeding kan aanspraak gemaakt worden van een opslag van 7,5% voor alle kosten zoals bijvoorbeeld reis- en verblijfkosten, opleidingskosten, kantoorkosten en representatiekosten. Voor leden van het verantwoordingsorgaan is deze opslag 10%. Stagiairs ontvangen 1/3 deel van de beloning.
Beloningsbeleid 2024
| Orgaan | Beloning | |
| Bestuursleden | 33.231 | |
| Voorzitters bestuur | 49.847 | |
| Lid raad van toezicht | 11.660 | |
| Voorzitter raad van toezicht | 15.547 | |
| Verantwoordingsorgaan | 3.589 | |
| Onkostenvergoeding | 7,5% van de beloning voor bestuur en raad van toezicht | |
| 10% van de beloning voor verantwoordingsorgaan | ||
| Stagiaire | 1/3 van de reguliere beloning |
Per lid van het bestuur, de raad van toezicht en het verantwoordingsorgaan was de uitgekeerde beloning (exclusief onkostenvergoeding) in het boekjaar:
| Bestuur | Periode | VTE | Functie | Beloning | ||||
| Rita van Ewijk | 1-1 t/m 01-07 | 0,3 | Werkgeversvoorzitter | € 24.924,00 | ||||
| Tim van der Rijken | 1-1 t/m 31-12 | 0,2 | Bestuurslid | € 33.231,00 | ||||
| Gerard van de Kuilen | 1-1 t/m 31-12 | 0,3 | Werknemersvoorzitter | € 49.847,00 | ||||
| Gerard Sirks | 1-1 t/m 31-12 | 0,2 | Bestuurslid | € 33.231,00 | ||||
| Michel Pet | 1-1 t/m 31-12 | 0,2 | Bestuurslid | € 33.231,00 | ||||
| José Meijer | 1-1 t/m 31-12 | 0,2 | Bestuurslid | € 33.231,00 | ||||
| Regina Schoutsen | 0,3 | Werkgeversvoorzitter | € 12.462,00 | |||||
| Stagiair | ||||||||
| Funda Bor | 1-1 t/m 1-10 | nvt | Stagiair bestuur | € 8.308,00 | ||||
| Raad van toezicht | Periode | VTE | Functie | Beloning | ||||
| Hennie de Graaf | 1-1 t/m 31-12 | 0,2 | Voorzitter | € 15.547,00 | ||||
| Ruben Beil | 1-1 t/m 31-12 | 0,1 | Lid | € 11.660,00 | ||||
| Hans Peters | 1-1 t/m 31-12 | 0,1 | Lid | € 11.660,00 | ||||
| Stagiair | ||||||||
| Alex de Haas | nvt | Stagiair Raad van toezicht | € 1.295,56 | |||||
| Verantwoordingsorgaan | Periode | VTE | Functie | Beloning | ||||
| John Kerstens | 1-1 t/m 31-12 | nvt | Voorzitter | € 3.589,00 | ||||
| Ben van Raaij | 1-1 t/m 31-12 | nvt | Lid | € 3.589,00 |
Cumulatief waren de kosten van de beloningen van de fondsorganen in het boekjaar:
| (bedragen x € 1.000) | 2024 | 2023 | ||
| Bestuur | 290 | 271 | ||
| Raad van Toezicht | 43 | 38 | ||
| Verantwoordingsorgaan | 16 | 11 | ||
| Totaal | 349 | 320 |
De verhoging van de beloningen is gekoppeld aan de CAO-verhoging in de kappersbranche. De CAO verhoging in de branche bedroeg in 2023 6,0%. De verhoging van de beloning van de bestuurders. leden van raad van toezicht en verantwoordingsorgaan bedroeg derhalve per 1 januari 2024 6,0%. De CAO-lonen in de kappersbranche zijn in 2024 zijn naar functie gedifferentieerd verhoogd. Afhankelijk van de functie bedroeg de verhoging in 2024 10%, 13% of 15%. Het bestuur heeft in december 2024 besloten de verhoging van de beloning per 1 januari 2025 te baseren op de laagste CAO-verhoging, zijnde 10%.